De dood en de halve zolen | Blog Daniel Takken


12 oktober 2016 | Daniel Takken

Daniel Takken

Karpervisser

Iedereen die wel eens echte paniek heeft gekend, kent dat beklemmende, alles verlammende gevoel van pure, door adrenaline gevoede en door je aderen kolkende angst…

 

Het was een fraaie lentedag afgelopen mei. Ik was een aantal dagen alleen op pad in het Franse land en had er al een nachtje op zitten. Voor de dag was ik neergestreken in een uithoek van een fraai reservoir waar een klein gat in de brede rietkraag kansen bood om enkele hengels in de ondiepe, plantenrijke kom te plaatsen. De zon scheen heerlijk tussen de ‘watterige’ wolken door en mijn percolator pruttelde meermalen die ochtend. Na enkele bakken koffie kwam de onvermijdelijke behoefte om een natuurlijk toilet op te zoeken.

 

 


 

Als een gek begon ik emmers water te scheppen en over de vlammen te kiepen

 


 

 

Aangezien ik een hekel heb aan al dat toiletpapier wat je soms terugvindt op drukker beviste wateren, maak ik vooraf altijd een gat met m’n schoen en gooi daar netjes aarde overheen. Het toiletpapier verbrand ik dan. Zo ook nu, ware het niet dat een aanwakkerende zuidwestenwind enkele snippers brandend papier de rietkraag in zond. In een mum van tijd ontstond een serieuze fik en wist ik maar een ding te bedenken – rennen! Als een ontsnapte TBS’er sprintte ik op m’n Crocs door de met gele boterbloem bedotte weide en zette koers naar mijn basiskamp.

 

Een emmer gesoakte bollen werd op de kop gekiept en ik sprintte weer terug. Eenmaal terug de hoek om sloeg dat bewuste verlammende gevoel mij om het hart – het gevoel dat je krijgt wanneer er een stuk van vijf bij vijf meter in de fik staat met vlammen van ruim twee meter hoog. Als een gek begon ik emmers water te scheppen en over de vlammen te kiepen, wat gelukkig erg snel een einde maakte aan de brand. De schade viel mee, er was alleen wat dor riet verbrand en de jonge stengels daaronder waren ongedeerd gebleven.

 

Later die middag werd ik gekweld door visioenen van een reservoir dat omsloten werd door een ring van vuur, met daarbinnen enkele tot paniek gedreven vissers die langzaam het water in werden gedwongen door de vlammen. 

 

Daar was toch een nummer over geschreven..?

 

“I fell into a burnin' ring of fire
I went down, down, down
And the flames went higher
And it burns, burns, burns
The ring of fire, the ring of fire”

Johnny Cash – The Ring of Fire

 

Kan het dan nooit eens normaal

Eenmaal terug in Nederland hervatte ik mijn lokale visserij. Dat liep alles behalve zoals ik had gepland, dus een welkome afwisseling werd even later met twee handen aangegrepen. Een weekendje vissen met Arwin op de oude gronden waar ik in de tijd van de fietskar heel veel uren versleet.

 

de-dood-en-de-halve-zolen-blog-daniel-takken-02

 

We beginnen op een verlaten water ergens in de weilanden in het land van Maas en Waal. Er komt hier echt geen hond en dat begrijp ik wel als ik na een stevige wandeling de rugzak van m’n kromme rug laat ploffen. Een broeierige avond drukt als een warme deken op de aarde en zijn bewoners. In de verste verte is hier geen mens te bekennen en het gras staat metershoog. Genieten dit.

 

De nacht verloopt erg stil en op een paar brasems in het dimlicht van de vroege morgen na lijkt het dat deze stek ook geen karper gaat opleveren. Als we aan onze derde kop koffie slurpen zien we in een ondiepe hoek van het water het bladstille oppervlak exploderen. We grissen de ontvangers mee en gaan polshoogte nemen – al gauw blijkt dat de kleinere vissen zich verzameld hebben en begonnen zijn aan het jaarlijkse paai ritueel. We besluiten om de zooi in te pakken en dit moment te gebruiken om een inzicht te krijgen in het bestand van dit water.

 

Na een bak koffie bij Arwin thuis zetten we koers naar water twee. Ook hier is weinig actie te bespeuren waarna we besluiten om op tijd te vertrekken richting het water waar we voor komende nacht onze pijlen op hebben gericht.

 

Dit bewuste water is er een die diep onder m’n huid is gaan zitten. Ik heb er maar één keer eerder gevist, dat is nu tien jaar geleden. Het is een van de meest unieke wateren die ik ken – helder als glas, diep, ruig en vol met wier. Toen ter tijd zwommen er slechts een handvol vissen. Ik viste er vier nachten tegen het einde van oktober met Fokke. Slechts één keer liep ‘ie af, maar de zenuwslopende dril op het steile kanttalud behangen met stervend wier en de majestueuze schub die na ruim een half uur in Fokke z’n net lag te rusten zijn momenten die me altijd zijn bijgebleven. Om de een of andere reden ben ik er nooit teruggegaan, maar het voelt nu alsof ik moet…

 

Als we na een stevige wandeling aan het water staan, sterft een stukje van mijn hart. Ik was vooraf al gewaarschuwd dat niets meer is zoals het toen was, maar de aanblik van dat wonderlijke water dat zo bruut is aangerand raakt me harder dan ik had verwacht. Ik hurk neer in een hoekje van het water dat gelukkig nog is zoals ik me herinner en laat mijn handen in het verrassend warme, als kraanwater zo heldere oeverwater zakken. Met m’n vingers in het zand kijk ik naar alle kikkervisjes, watervlooien en ander microleven dat over mijn begraven handen krioelt. Als ik opkijk kan ik niet anders dan het verpeste uitzicht zien, mijn ogen worden er simpelweg naar toegetrokken. Ik kijk Arwin aan en eigenlijk weten we het allebei; dit kan niet meer.

 

de-dood-en-de-halve-zolen-blog-daniel-takken-03

 

Een uur later zitten we beiden weer in een hete auto op de snelweg, richting water nummer vier inmiddels. Daar aangekomen zien we na een kort rondje meteen al enkele vissen hoog zwemmen en we besluiten er hier maar het beste van te maken. De hengels worden strategisch verdeeld over de oeverzone en door echt onder de top te vissen proberen we de hengeldruk zo laag mogelijk te houden. Er wordt hier stevig gevist en dat is op een klein water vaak teken om de trukendoos te openen. Korte rigs, zwaar inline lood en afgeschaafd, uitgebalanceerd haakaas moeten de truc gaan doen.

 

Tegen de avondschemering hebben we al een aanbeet gehad. De vis schoot helaas kort voor het landingsnet los waardoor we vooralsnog de nul stevig vast houden.
Een uur na middernacht is mijn rechter hengel de reden dat we beiden in een van muggen en ander ongedierte vergeven rietkraag staan. Ik met een kromme hengel en Arwin met het net – beter had hij nu een klamboe gehanteerd in plaats van het grover mazige landingsnet.

 

 


 

…een groot gat in de zijkant verraadt dat iemand zijn mes tijdelijk in het rubber van mijn wagen had geparkeerd…

 


 

 

Na een bizar harde dril kan ik een kleine schub op de mat vleien, gezien het tijdstip en  het feit dat de vis werkelijk uitgeput is na zo’n harde dril laat ik hem zonder foto weer in het water glijden. 

 

Het blijkt de laatste beet te zijn van deze trip en ‘s ochtends rond een uur of negen pakken we in en lopen we naar de auto. Alle rommel ligt binnen no time in de bak en ik stuur kort daarna de hoofdweg op, richting huis. Nog geen vijfhonderd meter verder hoor ik een curieus geluid – snel stop ik aan de kant. Het blijkt dat de rechter achterband lek is. Al snel zie ik waarom – een groot gat in de zijkant verraadt dat iemand zijn mes tijdelijk in het rubber van mijn wagen had geparkeerd.

 

de-dood-en-de-halve-zolen-blog-daniel-takken-04

 

Het is de allereerste keer dat ik een dergelijk teken van vissersjaloezie tegenkom en ik hoop ook het laatste. Ik kan me werkelijk niets triesters bedenken dan moedwillig iemand z’n vervoermiddel vernielen om een paar karpers. Hoe zielig ben je dan…

 

De reserveband wordt er fluitend opgeschroefd en we vervolgen onze weg, steeds verder weg van de waanzin van de karpervisserij van vandaag de dag.


Reactie plaatsen


 

Uw reactie is meer dan welkom en zal bij goedkeuring door de redactie geplaatst worden.

 

Reacties (0)


Er zijn nog geen reacties geplaatst.