Rini Groothuis: Ode aan Black-Eye


10 december 2017 | Rini Groothuis

Een artikel van Rini Groothuis, speciaal voor de lezers en bezoekers van Dé Karperwereld… Over zinnenprikkelende geuren en Black-Eye, een bijzondere karper. Stay tuned deze winter voor meer van ’s lands bekendste karpervisser!

In andere gedeelten van het afwateringskanaal had ik al mooie vissen weten te vangen.

 

Er is geen twijfel mogelijk dat het reukvermogen van dieren een stuk sterker ontwikkeld is dan dat van mensen. Dat is eigenlijk een understatement, zo realiseer ik me.  Immers, in nagenoeg alle gevallen is het reukslijmvlies bij dieren veel groter dan bij mensen. 

 

Het bevat veel meer reukreceptoren. Vrijwel alle dieren laten zich bij het foerageren dan ook hoofdzakelijk leiden door de geur die ze opvangen. Idem dito bij het vaststellen van onraad en gevaar, het zoeken van een partner aan de hand van uitgescheiden feromonen en de herkenning van roedelgenoten of van moeder en jong.  Het doen en laten van veel dieren, waaronder vissen, wordt gedomineerd door hun vermogen op afstand beter te kunnen ruiken dan te kunnen zien. Een voorbeeld. Naar verluidt zouden haaien een druppel bloed kunnen detecteren in een massa water zo groot als dat van  een Olympisch zwembad. Nauwelijks voor te stellen dat zo’n druppel deze vis op het spoor naar een mogelijke prooi kan zetten. Een ander voorbeeld. Trekvissen, zoals de zalm,  verlaten hun geboortegrond en trekken de oceanen op, zoekend naar rijke voedselgronden. Na jarenlange trektochten door allerlei zeegebieden keren ze uiteindelijk terug naar hun oorspronkelijke broedplaatsen. Voor wetenschappers is het lang een raadsel geweest hoe de zalmen zich in de weidse uitgestrektheid van deze oceanen oriënteren en navigeren.  

 

Uiteindelijk blijkt de reukzin van de zalm daarvoor verantwoordelijk. De weg terug wordt bepaald door de herinnering van de geur van het rivierwater waarin de zalm geboren werd. De aanvankelijk sterk verdunde geursporen van het rivierwater worden opgepikt. Naarmate die geursporen sterker worden bepalen ze uiteindelijk de route naar de eigen rivier. 

 

Rini Groothuis: Ode aan Black-Eye 02
Het flapje bij de neusopening is hier goed te zien.

 

Verfijnde neus

Hoe staat het met het reukvermogen van onze karper? Welnu, dat zijn reukzin sterk ontwikkeld is, moge duidelijk zijn. Maar hoe sterk is dat en wat betekent dat voor ons, karpervissers? Laat ik er dit over vertellen. Het reukorgaan van de karper bevindt zich in beide neusopeningen links en rechts voor de ogen. Wie wel eens deze neusopeningen bekeken heeft, zal het opgevallen zijn dat er een flapje te herkennen is. Dat flapje steekt bij het zwemmen omhoog en drukt als het ware het water door de buis van de neusopening. Van buiten naar binnen en dan weer naar buiten. In die buis bevinden zich grote concentraties reukreceptoren die via het zenuwstelsel in verbinding staan met de hersenen. Onderzoekingen hebben aangetoond dat het reukvermogen van karpers vergelijkbaar is met dat van speurhonden. Dat is 16 keer zo sterk als het reukvermogen van mensen, ook al hebben die een grote neus. Die sterk ontwikkelde geurzin stelt karpers in staat om zelfs in pikdonkere omstandigheden feilloos een boilie te kunnen detecteren, waarna smaak- en tastzin de waarneming vervolmaken. 

 

Rini Groothuis: Ode aan Black-Eye 03

 

Brabantse karpers zijn lang.

Typisch een voorbeeld van een situatie waaruit de dominantie spreekt van de reukzin ten opzichte van het gezichtsvermogen. Licht dringt trouwens slecht in water door. Karpers –zeker in wat gekleurd water- maken daarom minder gebruik van hun ogen en des te meer van hun geur-,  smaak-  en tastzin. De reukzin functioneert bij nacht namelijk even goed als bij daglicht en is bepalend, temeer omdat het voedsel van nature via het wroeten in de stinkende bodemmodder moet worden gevonden. Die bevindingen stellen de huidige camouflagehype wel in een iets ander daglicht. Daarbij komt nog dat karpers van huis uit nieuwsgierige vissen zijn.

 

Wanneer u ergens in het water bijvoorbeeld een emmer rocksalt uitgestrooid heeft, zullen karpers daarop reageren. Hun verfijnde neus pikt de voortdrijvende moleculaire verandering van het water absoluut op. Maar datzelfde gebeurt als u rocksalt vervangt door brokjes witte of bruine kandij of een schep koeienmest. Of karpers er echter meer eetlust van krijgen, is vers twee. 

 

Rini Groothuis: Ode aan Black-Eye 04
Met de focus op karper?

 

Zinnenprikkelende geuren

Wij karpervissers hebben ons al decennialang direct en indirect bezig gehouden met geuren, smaken, lokvoertjes, noem maar op. Wat appelleert het sterkst aan het geur- en smaakvermogen van de karper, wetende dat karpers goed onderscheid kunnen maken tussen zout, zoet, bitter en zuur? ‘That’s the question.’ Onze eindeloze kruistocht naar het ultieme geurtje en smaakje bracht ons brein  zelfs nog op bruisende noviteiten, zoals het destijds zo inspirerende verleidingsvermogen van de dakpan die met stroop werd ingesmeerd en vervolgens op de visstek te water werd gelaten. Wilde je karper vangen, dan had je een dakpan bij je! Dat was vroeger en dat is nu niet veel anders. Integendeel. Het is niet voor niets dat het scala van geurtjes en aroma’s tegenwoordig haast oneindig is. Maar wie geen bult wil vallen, moet een paar dingen in acht nemen. Als we aannemen dat een bepaalde vorm van karperaas, zoals een boilie, een geur kan verspreiden, zozeer kan het ook de stank van bodemmodder in zich opnemen. Ik meen dat het begin jaren zeventig was dat Jan Junge en ik in een bepaalde put visten onder de rook van Rotterdam. Die put, zo kwam ik erachter, was in feite een overloopbassin van rioolwater. Had het langdurig hard geregend en dreigde het stadswater uit de riooldeksels te stromen , welnu, dan ving dat bassin dat overtollige rioolwater (voor een deel) op. Toen Jan me fijntjes vertelde dat die put ‘de strontput’ werd genoemd, was me meteen alles duidelijk. De charmes van het karpervissen haarfijn in beeld gebracht. 


“Ik ben laatst nog wezen vissen”, zei ik tegen een allercharmante dame op een verjaardagsfeestje. Ze was slank, blond en hooggehakt. Een aantrekkelijke verschijning, al pasten haar borsten niet helemaal in de symmetrie van haar ragfijne postuur. Die waren nogal fors, maar een kniesoor die daarom maalt. 
“O ja”, antwoordde ze met lieflijke, haast sensuele stem, “waar ergens?”…  
“Op de strontput!”  
Het is niets geworden, die avond. 

 

Rini Groothuis: Ode aan Black-Eye 05
Ze kropen echt dicht de kant in.

 

Een stinkende keutel

Terug naar de keiharde realiteit van ‘de strontput’. De bekoring lag in zijn bewoners. Moddervette spiegels. Van wel 20 pond of meer. Wow! Die waren in het Midden-Brabantse, waar ik vandaan kom, uiterst spaarzaam. Dus mijn oor was op zijn minst gewillig toen Jan me vroeg om daar een poging te wagen. Dat ging toen gepaard aan de voor die tijd traditionele kruimige, zacht gekookte aardappel en het zogenaamde ‘freelining’. Niks anders aan de lijn dan haak en aas. Aardappel dus.

 

Ik durf het nu wel te verklappen: we hebben niets gevangen, ook al klapte er op een gegeven moment een big van een spiegel boven mijn visplek uit het water. We hebben zelfs geen beet gehad. Geen trekje, geen snukje, geen beweging in het zilverpapiertje dat droevig onder de hengel in de lijn bleef hangen. Ik zal nooit weten of die karpers ook naar stront roken. Maar dit weet ik wel. De aardappel die ik vervolgens binnen draaide, bezat een verdacht sterke, om niet te zeggen penetrante, dan wel misselijkmakende geur. Alsof iemand in een hondendrol is gestapt en met besmeurde schoenen de huiskamer is binnengestapt. 


“Zeg lieverd, ruik jij niets?”  
“Ja, nou dat je het zegt schat, het stinkt hier. Ligt er ergens een dooie muis?”  Inderdaad die aardappel rook naar een… Precies! Die ervaring heb ik mijn hele karpersvissersleven bij me gedragen. Een focus op de vangkracht van het aas. Uitwasemen van een geur is belangrijk; mogelijke absorptie van modderstank als vermindering van vangkracht een punt van cruciale aandacht. Dat is de reden waarom ik mijn aas tegenwoordig semi-zwevend presenteer. Tenminste als de bodem niet hard is, want ik houd ervan mijn aas gelijk aan het omringende voer te houden. Mijn boilie aan de haak is normaliter dezelfde als de omliggende voerboilies. Niks opvallen, want opvallen kan argwaan bij de karper betekenen, wat menig onderwaterfilmpje al heeft bevestigd. Maar in wateren met een modderbodem -en dat zijn er veel- bied ik mijn boilie aan in de vorm van een wafter. Een prachtig Scrabble-woord trouwens… 
“Ga je vanavond mee wafteren, lieverd?” 
“ Wat zeg je?” 
“Of je vanavond mee gaat wafteren?” 
“Oké, maar moet ik dan mijn stretch-beha daarbij aandoen?” 

 

Rini Groothuis: Ode aan Black-Eye 06
Een dodelijke aaspresentatie. De uitgebalanceerde boilie lift de haak maar ietsjes van de bodem. De kans dat de boilie modderstank absorbeert is nu heel klein, terwijl de presentatie niet wezenlijk verschilt van de rondom liggende voerboilies.

 

Als wafter is een boilie dus iets meer stijgend dan zinkend, zodanig dat hij net de haak optilt en deze met het oogje op de bodem staat. De onderlijn niet afgemeten op een gesuggereerd aasgedrag van de karper, maar uitsluitend rekening houdend met de diepte van de modderlaag waar het lood onherroepelijk in weg zal zakken.  Zo komt die boilie inderdaad vrij van de bodem  -minder dan bij een  pop-up- en neemt geen modderstank op.

 

Black-Eye

Al een week lang zat ik achter die karper aan. Zo zwart als roet met grote, zwarte ogen. Alsof ze een zonnebril droeg. Ik had al wat mooie vissen op andere gedeelten van het kanaaltje gevangen, maar wat was dit een intrigerende karper, zeg. Met een kleed van grote zwarte schubben die haar verleidelijk mollige contouren een extra accent gaven. Na ruim een week van voeren met lekker zoetige aardbeienboilies was ze in dit gedeelte van het afwateringskanaal gezwommen.  Elke dag had ik de nodige kilometers verreden om het tafeltje-dek-je te vervolmaken. Niet op een of twee bepaalde plekken een hoop boilies,  neen, liever in buffetvorm, over een afstand van 100 meter hier en daar een boilie. Om een beetje de richting te bepalen: op elke zes vierkante meter één boilie. Steeds wisselend aan de eigen kant, het midden en aan de overkant. Laat ze maar zoeken, laat ze maar zwemmen, laat ze maar smikkelen en hun argwaan vieren. Het gaat om een periode van strategisch voeren zonder te vissen, dat is het geheim van goede karpervangsten. Zeker als je, zoals ik, maar heel korte priksessies van een paar uur vist. Het kanaaltje is zwaar begroeid. Lissen, zegge, riet, wier, watergentiaan en lelies. Het decor van een aangename jungle. Geen scheepvaart hier. Ik had haar aanwezigheid al enkele malen opgemerkt. Een deining hier, een staart daar. Uitdijende leliebladeren, als in een trog wegzakkende gentiaanpolletjes, zwaaiende rietstengels. Ze liet weten dat ze er was. We stonden op het punt intiem te worden. Geen ‘strontput’ dit.  

 

Rini Groothuis: Ode aan Black-Eye 07

Het kanaaltje is zwaar begroeid. Lissen, zegge, riet, wier, watergentiaan en lelies.

 

Appeltje-Eitje?

De ontknoping nadert. Dat zal een appeltje-eitje worden. Althans dat is mijn overtuiging, naïef als ik ben. De val zal opgezet worden in een strookje open water, niet meer dan twee meter lang en een kleine meter breed, vlak langs de kant. Daarachter een immens wierveld en links ervan een veld zegge met een smalle doorgang tussen de zegge en het wier, richting mijn valstrik. Het is er niet dieper dan een vier- of vijftal decimeters. De gelige bodem is goed te zien. De twee roze voerboilies nog beter. Die liggen drie decimeter uit de kant als appetijtelijke delicatesse in een opgepoetste vitrine uitgestald. En daartussenin mijn aasboilie verbonden met een 25 cm lange onderlijn aan een inline schuifloodje van 60 gram. Dat loodje ligt bijna droog op de oever. Ik heb de keuze voor die plek heel bewust gemaakt. Enerzijds uit de simpele overweging dat deze black beauty daar graag vertoeft -ik heb haar daar meerdere malen gezien-  anderzijds omdat er niets opwindender bestaat dan life een karper onder je neus je voerplekje te zien naderen en je boilies te zien opvreten. In gedachten verkneukel ik me al over de explosie van kracht en water die zal volgen…. Ik settel me op het talud, snuif de geur van hooi, gras en koeienmest en ga over op jachtmodus.  Niet trouwens zonder eerst een welverdiend shaggie te draaien. En terwijl ik daar mee bezig ben, zie ik vanuit mijn ooghoeken een zwarte schim door de smalle doorgang glijden, richting mijn boilies. Het is haar, uiteraard is het haar, de zwarte schubkarper met de zwarte ogen. Black-Eye! Haar brede rug breekt het wateroppervlak in tweeën. Als een onderzeeër. Met haar kop net onder water pakt ze de eerste boilie, zuigt hem op en zwemt naar de tweede… mijn aasboilie! Opspuitende watererupties, op hol geslagen koeien en overgestroomde oevertaluds vormen het visioen dat als een schicht door mijn hersenen flitst.  Ze stulpt haar slurf uit, omsluit met haar lippen de roze lekkernij, stof komt uit haar kieuwen en… Er gebeurt niets. De vis zwemt verder en tot mijn verbazing komt de aasboilie onder haar lichaam tevoorschijn. Ze pakt de andere voerboilie en sluipt onaangeroerd weg in het wier. En mijn aasboilie ligt er nog. Al lag ie er al een eeuw. Verbazing. Afgrijzen. Frustratie. Hoe kan dat nou? Ze heeft de onderlijn zelfs niet eens bewogen of getoucheerd! 

 

Rini Groothuis: Ode aan Black-Eye08

In het voorjaar zie je de dertigers soms zonnen.

 

Een einde aan het repertoire  

Het blijkt een repertoire te zijn. Misschien wel een routine of een ritme. Nog vier(!) keer komt de schubkarper op visite, glijdend in de smalle doorgang tussen het zeggeveld en het wierbed. U kent dat wel: hartkloppingen, droge keel, trillende spieren. Was ik maar gaan schaken. Tot vier keer toe omsluit ze haar lippen een na een om de drie boilies. Ze ligt daarbij helemaal stil. Ze eet de beide voerboilies, maar de haakboilie -hoewel ze die wel degelijk proeft- laat ze liggen. Waarom? Zeker is dat ze de onderlijn niet kan voelen. Die ligt gestrekt en plat op de bodem. Die toucheert ze niet, die verplaatst ze nog geen millimeter. Het lood ligt bijna op de kant, dat is ook geen reden. Bovendien, ze schrikt nergens van, blijft in haar natuurlijke, rustige -om niet te zeggen bedaarde- gedrag. Trouwens, iedere keer komt ze opnieuw rustig aangezwommen; geen vis dus die in de stress is. Is het dan de haak? Even later is ze toch de klos… 


Het viel me al op dat ze steeds in de doorgang kwam aangezwommen. Ik leg mijn boilie in de doorgang, een kleine twee meter uit de kant, zonder voerboilies erbij. Een kwartier later strekt de lijn zich en is het raak. De watereruptie volgt, alsmede een dubbelgevouwen hengel en een slip die in extase raakt.  De koeien kijken wel op, maar slaan niet op hol. Ook het talud overstroomt niet. Maar de dril tussen al dat groen -zeker als de vis zich afwisselend in een wierbed, een zeggeveld en een tros plompen begraaft- is wel machtig. 

 

 Rini Groothuis: Ode aan Black-Eye 09
Black-Eye in volle glorie. De aangroei op de ogen is goed zichtbaar.

 

Blind

Wanneer ik mijn kostbare kleinood op mijn onthaakmat heb liggen, valt me meteen wat op: ik zie haar ogen namelijk niet! Op haar ogen zit een soort van dik zwart, sponzig aanvoelend aangroeisel, een tumor, wrat of iets van dien aard. Vandaar die zonnebril. Dan begint het me te dagen. Deze vis is blind! Wij karpervissers hebben nogal gauw de neiging een gebeurtenis tot dogma te verheffen. En om een karper haast menselijke eigenschappen mee te geven. Een vis schrikt van het aas, dus heeft ie de onderlijn gezien, dus moeten we die vervangen van ‘black silt’ naar ‘weed green’. Zoiets. Tja. Maar zoals al eerder aangegeven: een karper aast vooral op reuk, smaak en tast, waarbij reuk de weg baant. Deze zwarte schubkarper wist feilloos mijn boilies te vinden en mijn voerboilies als lekkere hap te selecteren. Door haar blindheid heeft ze haar geur- en smaakzin tot aan de uiterste limiet moeten aanscherpen. Om te overleven. Dat kan haast niet anders. En daardoor heeft ze het miniemste verschil tussen aas- en voerboilie kunnen detecteren. Een druppel bloed in een zwembad van Olympische allure zal een karper misschien niet opsporen (of misschien wel), feit blijft dat de geurzin zowel ’s nachts als overdag en zeker in enigszins gekleurd water een formidabel ontwikkeld instrument is bij de opsporing van voedsel. Zorg er dus voor dat uw boilies blijven geuren. Maak er geen keutel van.

 

Dit artikel verscheen eerder in ons magazine Dé Karperwereld. Sommige artikelen verschijnen later online, weer andere avonturen blijven in het papier gevangen… Ben jij ook een fanatieke karpervisser en wil je graag voortaan de beste artikelen als eerste lezen? Neem dan nu een voordelig abonnement en ontvang ’s lands oudste karpermagazine voortaan ‘vers van de pers’ in huis. Hoe…: klik hier!


Reactie plaatsen


 

Uw reactie is meer dan welkom en zal bij goedkeuring door de redactie geplaatst worden.

 

Reacties (0)


Er zijn nog geen reacties geplaatst.