Averij


12 mei 2018 | Ewout Smeerdijk

Had ik geweten wat me een jaar later allemaal te wachten stond, dan was ik niet graag aan 2014 begonnen. Anderzijds kiest niemand zijn pad zelf, dat pad kiest jou…

 

Wanneer de schade en schande groot zijn, lijkt het eenvoudiger om je daaraan over te geven. Om je hart je hoofd te laten beteugelen. Om de controle los te laten. Om te ‘ont-moeten’. De rust die dat geeft helpt je verder. Voorbij de hobbels die eerst nog bergtoppen leken. Wat me te wachten stond na die kleurrijke herfst met barbelen bij de rivier, was een jaar vol met averij. In mijn werk, in mijn relatie en gezin, met een vriendschap en daarna óf door dat alles ook averij in het vissen. Ik voelde me als een schip zonder roer in de branding voor de rotsen. Vanzelfsprekend kwam het allemaal tegelijkertijd. De voortekenen van alle onstuimigheid waren er al heel vroeg in het jaar. Alleen zag ik dat zelf pas in de luwte achteraf.

 

ONSTUIMIG BEGIN

Het begon in de winter. De boer belde me een dag na Sinterklaasavond. Een gruwelijke storm had er gewoed. De noordwesten wind had vrij spel gehad vanaf de open velden en over de grote plassen. Dakpannen lagen op straat, bomen waren geknapt als luciferhoutjes of lagen ontworteld in de berm. “Je moet maar even komen kijken”, zei de boer, “Je boot ligt op de kant”. Op de kant?! Wat ik aantrof was een platbodem van een paar honderd kilo die uit het water was getild en ondersteboven op het weiland was gesmeten. Compleet met huif en buitenboordmotor. Steekstokken, stretcher, slaapzak, benzinetank, ankers en ander spul lagen er als een vuilnisbelt omheen. Er leek weinig van over te zijn. Het deed oprecht zeer om mijn boot zo te zien. Ergens in februari was de zaak toch onverwachts snel weer hersteld. Met dank aan de bootverzekering en een forse hap uit mijn spaargeld, repareerden een zeilmaker en monteur de schade. Het aluminium van de romp was nog intact en na wat onderhoud had de motor het wonderwel ook overleefd. Alleen de huif moest er opnieuw op. In maart vaarde ik weer. Dat was precies het moment waarop het eerste licht van maart je zo ontzettend kan beduvelen. Hoewel de zon warme kleuren toverde op de roestbruine rietkragen, duurde de winter nog voort. Grauw, grijs, nat en net te lang. Het water zou eerst flink op moeten warmen vooraleer ik überhaupt een kans zou kunnen maken.

 

Averij 02

 

Toch was het bij lange na zo koud niet als een jaar eerder. Het voorjaar kwam geleidelijk op gang zoals het hoorde te gaan en in april ontsproten er steeds meer groene scheuten langs de oevers. Ik greep terug op het plan dat ik een jaar eerder maakte. Dat plan was om de kansrijke stekken waar ik statisch karper had gevangen met priklood, nu actief te gaan bevissen met de pen. Met goede weersomstandigheden en op de juiste tijden. Hoewel het vissen met priklood mij geen windeieren had gelegd en ik er ook weer enig plezier in had gekregen, snakte ik desalniettemin naar een pen in de golven. Een rode tip met een paar biezen om naar te kijken. Met een hengel in de hand en mijn neus in de wind er bovenop zitten. Dat mocht zo nu en dan ook nog wel eens een hengel met lood zijn. Het voornemen was echter om het merendeel van het jaar met de pen te gaan vissen. Mijn materiaal besloot me al vroeg in het jaar aan dat voornemen te gaan houden. Na een nacht vol regen in april, warmde het de ochtend erna flink op. De volle zon brandde op de natte, zwarte spoelen van de oude Abu’s. Uit het niets sprong de plastic spoel in tweeën. Een gekend probleem dat me tot dusver echter bespaard was gebleven. Weemoedig nam ik afscheid van de nostalgische molens en moest ik op zoek naar iets ‘nieuws’. Het bracht me ook snel terug bij de penhengel die ik voornemens was te gaan gebruiken. Op de stekken waar ik vorig jaar mijn priklood liet zakken, maakte ik nu kleine zitplekken in de oevers. Achter de voorste rij stengels in het riet, tussen de elzen voorbij de grote eik en op de kop van de oude schoeiing. De pen kon er nagenoeg onder de hengeltop staan, op gevarieerde dieptes. Bij de schoeiing stond net aan een meter water, voor het riet zat ik daar ruim overheen en liep het vlot af tot bijna twee meter. Bij de els stond er hooguit vijftig centimeter water. Stuk voor stuk waren het stekken waar de zon pal op stond. Ofwel in het eerste ochtendlicht, ofwel in de late namiddag. Op twee van de drie stekken had ik vorig jaar goed vis gevangen, bij de oude schoeiing en voor het riet. De els was een tactische gok. Net als de vierde stek bij een groot lelieveld.

 
Wil jij het complete artikel uit deze Karperwereld 119 graag als eerste lezen? Neem dan nu meteen even een voordelig abonnement en klik hier!

Reactie plaatsen


 

Uw reactie is meer dan welkom en zal bij goedkeuring door de redactie geplaatst worden.

 

Reacties (0)


Er zijn nog geen reacties geplaatst.